taxci
 

De nieuwe belastingwet BES

Laatst gewijzigd: 03-01-2011

 De Belastingwet BES omvat tien hoofdstukken, te weten

I)            inleidende bepalingen;
II)           inkomstenbelasting;
III)          loonbelasting;
IV)         vastgoedbelasting;
V)          opbrengstbelasting;
VI)         algemene bestedingsbelasting;
VII)        overdrachtsbelasting;
VIII)       formeel belastingrecht en
IX)         invordering van BESbelastingen;
X)          spaartegoeden, en slotbepalingen.

De gereserveerde hoofdstukken voor de inkomsten- en loonbelasting zijn nog leeg. 
Momenteel is een wetsvoorstel aanhangig met de navolgende belastingmiddelen:

1) vastgoedbelasting;
2) opbrengstbelasting;
3) algemene bestedingsbelasting, en
4) overdrachtsbelasting.

 
1) De Vastgoedbelasting

De vastgoedbelasting is een nieuwe heffing en belast het rendement op grond en de daarop

aanwezige onroerende za(a)k(en). Het hiervoor genoemde rendement wordt forfaitair vastgesteld. De heffingsgrondslag is een vast percentage – 4% – van de waarde in het economische verkeer van de in eigendom zijnde onroerende zaak. De waarde in het economische verkeer wordt vastgesteld aan de hand van dezelfde waarderingsgrondslagen die gaan gelden voor de grondbelasting. De grondbelasting is een lokale belasting die de openbare lichamen op grond van het wetsvoorstel Wet FinBES mogen heffen. Vervolgens wordt over dit forfaitaire rendement een vast tarief van 20% toegepast. De vastgoedbelasting wordt geheven van alle personen (zowel natuurlijke personen als rechtspersonen) die eigenaar zijn van op een de BES eilanden gelegen onroerende zaak. Indien een persoon slechts gedeeltelijk eigenaar is van de onroerende zaak, wordt hij voor dat gedeelte in de heffing betrokken.

Het voorgaande heeft er toe geleid dat in dit voorstel is opgenomen dat de onroerende zaken die in het kader van de Wet inkomstenbelasting BES kwalificeren als eigen woning of behoren tot het ondernemingsvermogen van een IB onderneming worden vrijgesteld van deze heffing. Gelet op de specifieke situatie op de BES eilanden is daarnaast nog een aantal andere vrijstellingen opgenomen, onder meer voor inwoners van de BES eilanden die het genot hebben van een niet als eerste woning in gebruik zijnde onroerende zaak waarvan de waarde minder dan USD 50 000 bedraagt. De heffing slaat hierdoor uiteindelijk in het bijzonder neer bij eigenaren van zogenoemd bedrijfsvastgoed en niet ingezetenen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba die één of meerdere op de BES eilanden gelegen onroerende zaken in hun bezit hebben (veelal tweede huizen).


2) De opbrengstbelasting

Op dit moment kent de Nederlandse Antillen weliswaar formeel een dividendbelasting maar deze is nooit in werking getreden. De opbrengstbelasting is echter ruimer dan de dividendbelasting. Naast dat de uitkering van winst door in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde lichamen aan zijn aandeelhouders wordt belast, vallen ook betalingenvan onder andere stichtingen (waaronder de zogenoemde Stichtingen Particulier Fonds) onder het bereik van de opbrengstbelasting. De ontvanger van het dividend of de betaling (hierna: opbrengst) is belastingplichtige en het lichaam is de inhoudingsplichtige. Over de opbrengst wordt in beginsel ongeacht de woonplaats van de aandeelhouder, 5% belasting ingehouden. Ook kent de opbrengstbelasting – net als de Nederlandse dividendbelasting – een inhoudingsvrijstelling voor dividenden die worden uitgekeerd aan op de BES eilanden gevestigde moedermaatschappijen. De opbrengstbelasting is een voorheffing voor op de BES eilanden woonachtige natuurlijke personen. Voor alle andere ontvangers is de opbrengstbelasting niet verrekenbaar.

De belangrijkste afwijkingen van de opbrengstbelasting ten opzichte van de dividendbelasting zoals was neergelegd in de Landsverordening op de dividendbelasting 2000 zijn:

1) de vestigingsplaatsfictie;
2) de inhoudingsvrijstelling voor zover de ontvanger van het dividend niet is gevestigd op de BES eilanden;
3) de behandeling van coöperaties, vereniging, stichtingen en open fondsen voor gemene rekening.

 Vestigingsplaatsfictie

Deze fictie regelt, kort samengevat, dat lichamen die op de BES eilanden niet voldoende actief zijn, ondanks hun feitelijke vestiging aldaar, voor de toepassing van de belastingwetten naar het in Europa gelegen deel van Nederland worden gehaald.

Dat betekent dat op die ‘BES lichamen’ de Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting van toepassing zijn (en dus niet de vastgoedbelasting en de opbrengstbelasting).

De fictie is in hoofdlijnen als volgt vormgegeven. In eerste instantie worden letterlijk alle op de BES eilanden gevestigde lichamen voor de toepassing van de opbrengstbelasting geacht in Nederland te zijn gevestigd. Vervolgens is geregeld dat de inspecteur per lichaam bij voor bezwaar vatbare beschikking kan bevestigen dat een lichaam (toch) voor fiscale doeleinden op de BES eilanden zit en dus valt onder de opbrengstbelasting en de vastgoedbelasting. Een feitelijk op de BES eilanden gevestigd lichaam dat voor 50% of meer activa bezit die passen bij een zichtbare actieve onderneming valt altijd onder het volledige fiscale stelsel voor de BES eilanden. Een lichaam daarentegen dat voor meer dan 50% specifiek opgesomde internationaal mobiele activa bezit, die in zijn algemeenheid onder omstandigheden weinig werk met zich hoeven te brengen, wordt in beginsel onder de vennootschapsbelasting en dividendbelasting gebracht.

Een dergelijk lichaam kan echter toch nog onder de het volledige fiscale stelsel voor de BES eilanden blijven als aan twee voorwaarden is voldaan. Die komen er in hoofdlijnen op neer dat het lichaam over drie personeelsleden moet beschikken die op wezenlijk niveau de genoemde activa (beleggingen, deelnemingen, liquiditeiten, ter beschikking gestelde goederen, leningen) beheren en dat bedrijfsruimte op de BES eilanden door dat lichaam wordt gebruikt voor die werkzaamheden.

Een door de inspecteur afgegeven beschikking dat een lichaam op de BES eilanden zit, vervalt als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan die in het artikel zijn opgenomen. Mede doordat tijdelijk niet voldoen aan de bezittingen- of personeelseis niet altijd tot ‘niet kwalificeren’ hoeft te leiden – er moet immers “doorgaans” aan de toetsen worden voldaan – kan het in voorkomende gevallen praktisch zijn dat inspecteur en belastingplichtige vaststellen dat bijvoorbeeld per 1 januari van enig jaar de vestigingsplaats van het lichaam wijzigt.

Ieder lichaam dat geen beschikking kan overleggen 1) zoals hiervoor bedoeld, 2) dat het lichaam is toegelaten tot een handels- en dienstenentrepot als bedoeld in hoofdstuk V van de Douane- en Accijnswet BES of 3) dat het lichaam een kwalificerende tussen)houdstermaatschappij is van een lichaam dat een beschikking heeft op grond van de onder 1) of 2) genoemde situaties, wordt in de heffing van de Nederlandse vennootschapsbelasting en dividendbelasting betrokken.

Uiteindelijkworden door deze antimisbruikregeling met name kasgeldvennootschappen, (passieve) beleggingsvennootschappen, doorstroomlichamen en lichamen die niet of nauwelijks investeren in de ontwikkeling van reëel ondernemerschap op de BES eilanden geacht in Nederland te zijn gevestigd.

Ten slotte wordt opgemerkt dat een op basis van artikel 5.2 van de Belastingwet BES in Nederland gevestigd lichaam – ook voor wat betreft het rendement op de in de BES eilanden gelegen onroerende zaak – in de heffing van de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt betrokken. Een dergelijk lichaam is geen vastgoedbelasting verschuldigd.  

In de Belastingregeling voor het land Nederland (BRN) wordt bepaald dat over inkomsten uit onroerende zaken in beginsel belasting wordt geheven in het heffingsgebied waar de onroerende zaak is gelegen (de BES eilanden of Nederland).  Op deze hoofdregel wordt een uitzondering gemaakt voor onroerende zaken die in bezit zijn van lichamen die op basis van artikel 5.2 van de Belastingwet BES in Nederland worden geacht te zijn gevestigd. Voor deze onroerende zaken wordt de heffingsbevoegdheid toegewezen aan Nederland. Hierdoor vindt geen cumulatie van heffing plaats. 

Voor andere lichamen die in Nederland zijn gevestigd met een onroerende zaak in de BES eilanden geldt dat de vastgoedbelasting wel van toepassing is, zodat over de onroerende zaak in de BES eilanden vastgoedbelasting is verschuldigd. Ook Nederland zal in beginsel de inkomsten uit de op de BES eilanden gelegen onroerende zaak in de heffing van de Nederlandse vennootschapsbelasting betrekken. Immers, in Nederland wordt de wereldwinst van het lichaam belast. Echter, in de BRN zal worden bepaald dat Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zal verlenen door de onroerende zaak in de BES eilanden (zijnde de grondslag voor de vastgoedbelasting) – vrij te stellen door een vermindering van de door het lichaam verschuldigde vennootschapsbelasting toe te staan (vrijstellingsmethode).

Inhoudingsvrijstelling in internationaal verband

Op dit moment bevat de nog niet in werking getreden Nederlands-Antilliaanse Landsverordening dividendbelasting 2000 een inhoudingsvrijstelling voor alle uitgaande dividenden zolang de buitenlandse moedermaatschappij maar voor tenminste 25% deelneemt in de op de BES eilanden gevestigde vennootschap. Deze regeling is erg ruim, vooral nu wordt voorgesteld de heffing van winstbelasting op de BES eilanden achterwege te laten.

Zonder aanvullende maatregelen zou dit ondanks de vestigingsplaatsfictie – kunnen leiden tot onbelaste doorstroom van winsten van reëel bedrijfsleven naar welke jurisdictie dan ook. In verband hiermee wordt voorgesteld deze inhoudingsvrijstelling te verstrakken en wel zodanig dat niet meer wordt voorzien in een inhoudingsvrijstelling voor uitgaande dividenden voor zover de ontvangende vennootschap niet op de BES eilanden is gevestigd tenzij de vennootschap is gevestigd in een Mogendheid, of in een land in het Koninkrijk, waarmee in bilaterale verhoudingen een inhoudingsvrijstelling is overeengekomen. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan landen waarmee het Koninkrijk der Nederlanden voor de toepassing van de BES eilanden of het (na de staatkundige herziening) voormalige land Nederlandse Antillen een belastingverdrag heeft afgesloten.

Coöperaties, stichtingen, verenigingen en open fondsen voor gemene rekening

Ook coöperaties, stichtingen, verenigingen en open fondsen voor gemene rekening die aan de voorwaarden voldoen kunnen onder de opbrengstbelasting vallen. Deze lichamen worden voor de heffing van de belasting daarmee zoveel mogelijk gelijk behandeld als vennootschappen. De opbrengstbelasting kan dan ook niet worden omzeild door het tussenschuiven van een op de BES eilanden gevestigde coöperatie, stichting, vereniging of SPF (of ander doelvermogen). Iedere uitkering van voornoemde lichamen wordt aangemerkt als een opbrengst in de zin van deze heffing, te meer daar de inbreng in deze lichamen vanwege het achterwege laten van de successiebelasting op de BES eilanden belastingvrij kan geschieden en het rendement op de inbreng vanwege het achterwege laten van de winstbelasting onbelast is. Hierdoor wordt iedere uitkering dan ook in beginsel getroffen door een heffing van 5%. Een uitzondering op deze hoofdregel is de uitdeling van een stichting of een doelvermogen aan goede doelen. Uitkeringen door deze lichamen aan goede doelen zijn onder voorwaarden vrijgesteld van opbrengstbelasting.


3) De algemene bestedingsbelasting

De algemene bestedingsbelasting opgenomen geldt ter vervanging van de op Bonaire geldende Landsverordening omzetbelasting 1999 (hierna: OB) en de op Saba en Sint Eustatius geldende Landsverordening belasting op bedrijfsomzetten 1997 (hierna:BBO).

De grootste vereenvoudiging die met de algemene bestedingsbelasting wordt beoogd, is dat de heffing – anders dan bij de huidige omzetbelasting en de belasting op bedrijfsomzetten – voor de lokale levering van goederen grotendeels is ontdaan van haar cumulatieve karakter. Hierdoor vindt voor goederen een eenmalige heffing van algemene bestedingsbelasting plaats bij invoer (ingeval het een ingevoerd goed betreft) ofwel, voor zover sprake is van lokale productie, bij de levering van het goed door de lokale producent.

Diensten worden belast op het moment van de (lokale) verrichting van de dienst. Voor diensten kan wel enige mate van cumulatie van heffing optreden (denk aan restaurantdiensten).

Op de Nederlandse Antillen functioneren sinds de jaren negentig van de vorige eeuw twee omzetbelastingstelsels. Op Curaçao en Bonaire is de OB van toepassing en op Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba de BBO.

Zowel de OB als de BBO zijn “een indirecte belasting, een omzetbelasting met het karakter van een verbruiksbelasting die de “voortstuwing” van goederen en diensten op hun weg van producent naar consument belast en die beoogt het consumptieve verbruik van goederen en diensten in de heffing te betrekken”. Het rechtskarakter van beide heffingen is identiek en beide betreffen een heffing ter zake van het leveren van goederen en het verlenen van diensten. Beide belastingen hebben grotendeels het karakter van een cumulatieve cascadeheffing.

Vanwege het feit dat de OB en de BBO grote overeenkomsten vertonen, worden zij opgenomen in één geïntegreerde nieuwe regeling. Als gevolg hiervan wordt vanaf het moment van ingang van de nieuwe staatkundige verhoudingen op de BES eilanden geen OB of BBO meer geheven, maar enkel nog een samengevoegde belasting: de algemene bestedingsbelasting. Er bestaat geen verschil tussen de algemene bestedingsbelasting die op Bonaire zal worden geheven enerzijds en de algemene bestedingsbelasting die op Sint Eustatius en Saba zal worden geheven anderzijds. Deze eenvoudige algemene bestedingsbelasting valt uiteen in drie delen, te weten: 1) de heffing over goederen bij invoer; 2) de heffing over de (binnenlandse) levering van diensten en 3) de heffing over de leveringen van lokaal geproduceerde goederen.

De algemene bestedingsbelasting – in het spoor van de OB – een beperkt recht op aftrek van voorbelasting. Dit recht geldt alleen voor producenten die de door hen vervaardigde producten lokaal afzetten of exporteren.  Voor Sint Eustatius en Saba geldt dat de huidige BBO een tarief van 3% kent (tegen een OB tarief op Bonaire van 5%), zonder dat BBO ter zake van invoer wordt geheven. De nieuwe algemene bestedingsbelasting voorziet wel in een heffing bij invoer. Daarom is er voor gekozen het algemene tarief van de algemene bestedingsbelasting van 8% vooralsnog voor de Bovenwindse eilanden tijdelijk – de eerste vijf jaren na inwerkingtreding van de Belastingwet BES – op 6% te stellen. Deze tariefsverlaging voor Sint Eustatius en Saba wordt mede ingegeven door het feit dat de in de Douaneen Accijnswet BES voorziene op nihil stelling van de invoerrechten op deze eilanden geen effect hebben (de invoerrechten zijn al nihil), terwijl dat op Bonaire wel een positief effect heeft. Hierdoor zal het algemene tarief van 8% de eerste vijf jaren alleen op Bonaire gelden.

Een belangrijke wijziging ten opzichte van de bestaande situatie is dat de algemene bestedingsbelasting in hoofdlijn uitgaat van het kasstelsel. De heffing over de binnenlandse levering van diensten kent geen factuurplicht (voor de heffing van algemene bestedingsbelasting bij invoer speelt de factuurplicht als zodanig geen rol). Er is meer sprake van een kasstelsel plus. Bij de levering van diensten behoeft de ondernemer op Bonaire, Sint Eustatius of Saba de belasting niet op zijn rekening of kassabon te vermelden. Dit geldt uiteraard ook voor de detailhandel. De levering van goederen door een ondernemer die niet als producent kan worden aangemerkt valt buiten de heffing.

Er is alleen voor producenten een verplichting een factuur uit te reiken als een afnemende ondernemer c.q. producent daarom verzoekt. Dat heeft te maken met de aftrekmogelijkheid voor producenten en daarmee ook met de belangen van lokale op export gerichte producenten. De dienstensector echter, de detailhandel zoals ook de winkels die zich richten op toeristen hoeven de algemene bestedingsbelasting dus niet op hun rekening of kassabon te vermelden. Hierdoor wordt in grote lijnen aangesloten bij het thans geldende systeem in de BBO en het in de OB voor veel ondernemers ook wel toegestane kasstelsel.

De in de OB opgenomen ‘kleine ondernemers’- regeling is grotendeels in de nieuwe algemene bestedingsbelasting overgenomen. Deze regeling waarbij kleine ondernemers van de belasting kunnen worden ontheven zal derhalve ook gaan gelden in de openbare lichamen Sint Eustatius en Saba. Tevens ontstaat hierdoor een stimulans voor startende ondernemers.

De heffing ter zake van invoer van goederen heeft tot gevolg dat goederen op het moment van invoer in de heffing van de algemene bestedingsbelasting worden betrokken. Door de heffing bij invoer  worden in het ‘buitenland’ geproduceerde goederen – ongeacht door wie het goed wordt ingevoerd (een ondernemer of een niet-ondernemer) – met eenzelfde ‘algemene bestedings’-druk geconfronteerd als in het openbare lichaam zelf geproduceerde goederen (die door middel van de ‘producentenheffing’ in de algemene bestedingsbelasting zijn betrokken).

Het tarief van de algemene bestedingsbelasting in het binnenland (voor de verrichten van diensten en de lokale productie van goederen) en voor de heffing ter zake van invoer is – zoals eerder opgemerkt – gesteld op 8 percent; voor de Bovenwindse eilanden vooralsnog op 6 percent. Dit is te zien als een algemeen tarief. Wel is voorts om meer technische redenen voorzien in een zogenoemd nihil-tarief en in een afwijkend tarief voor verzekeringen. Voor personenauto’s gelden bijzondere tariefbepalingen.


4) De overdrachtsbelasting

De Overdrachtsbelastingverordening 1908 wordt momenteel op de drie eilanden in gelijke mate toegepast, hetgeen in de nieuwe staatkundige verhoudingen blijft gehandhaafd. De landsverordening wordt als basis genomen, maar wordt – vanwege het feit dat de regeling al een eeuw oud is – daar waar mogelijk vereenvoudigd en daar waar noodzakelijk gemoderniseerd. De modernisering zal plaatsvinden aan de hand van de in Nederland geldende overdrachtsbelasting, zoals opgenomen in de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

De overdrachtsbelasting heeft tot gevolg dat een overdracht van een op de BES eilanden gelegen onroerende zaak of een op de BES eilanden geregistreerd schip in beginsel wordt belast tegen een vast percentage. Met dien verstande dat in geval van een opvolgende overdracht binnen 6 maanden de eerder betaalde overdrachtsbelasting in mindering mag worden gebracht. Met deze overdrachtsbelasting is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de thans geldende landsverordening. Deze landsverordening is echter sterk verouderd, waardoor enkele moderniseringen zijn doorgevoerd. De belangrijkste wijziging ten opzichte van de bestaande landsverordening is dat de momenteel bestaande bepalingen omtrent de waardebepaling van een overgedragen onroerende zaak of schip allemaal zijn komen te vervallen.

Voor iedere overdracht wordt conform de Nederlandse overdrachtsbelasting aangeknoopt bij de waarde in het economische verkeer, die tenminste gelijk is aan de tegenprestatie. Daarnaast zijn, in het licht van het op de BES eilanden niet langer heffen van successierechten, de vrijstellingen voor verkrijgingen op grond van erfrecht en schenkingen van onroerende zaken vervallen. Het tarief wordt gesteld op 5 percent.

Indien u meer informatie over dit onderwerp wenst, of indien u geadviseerd wilt worden op uw specifieke situatie nodigen wij u van harte uit om contact met ons op te nemen via e-mail of per telefoon op het nummer 010-2010466,  of rechtstreeks met

Ton Smit

Telefoon: 010-2010470

E-mail: ton.smit@taxci.nl

Wij maken graag tijd voor u !

(terug naar index)