taxci
 

Vrijstelling dividendbelasting in Europa

Laatst gewijzigd: 08-02-2007

8 februari 2007

Het rommelt in Europa over de heffing dividendbelasting.

Het Hof van Justitie heeft eind december 2006 wederom een uitspraak gedaan die de vrijstelling dividendbelasting in Europese verhoudingen aanzienlijk uitbreid ("Denkavit"). Veel Nederlandse bedrijven kunnen nu in aanmerking komen voor een aanzienlijk ruimere vrijstelling dividendbelasting in andere Europese landen. Ook de in het verleden betaalde buitenlandse dividendbelasting kan voor een teruggaaf in aanmerking komen.

De vrijstelling dividendbelasting in Europa

De meeste Nederlandse bedrijven met Europese dochtermaatschappijen zijn er aan gewend dat over Europese dividenden geen dividendbelasting is verschuldigd.

Op basis van de Moeder-Dochter Richtlijn mag (in essentie) een Europese lidstaat geen dividendbelasting heffen over dividenden die worden uitgekeerd aan een kwalificerende moedermaatschappij die is gevestigd in een andere Europese lidstaat.

De Moeder-Dochter Richtlijn stelt wel voorwaarden aan de vrijstelling dividendbelasting, waaronder eisen aan het bezitspercentage, bezitsperiode (tenminste tot 1 januari 2007), rechtsvorm en feitelijke vestigingsplaats van de moedermaatschappij.

Veel lidstaten hebben ook nog van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een anti-misbruikregeling in hun wetgeving op te nemen op basis waarvan extra eisen kunnen worden gesteld voor de toepassing van de Europese dividendbelastingvrijstelling. Ook Nederland heeft sinds 1 januari 2007 een dergelijke anti-misbruikbepaling.

Uit een aantal recente uitspraken van de het Europese Hof blijkt nu dat in veel gevallen waarin de lidstaten nog wel dividendbelasting heffen van Europese aandeelhouders, deze heffing strijdig is met Europees recht, specifiek het recht op vrije vestiging en vrij kapitaalverkeer.

Gelijk aan vrijstelling in binnenlandse verhoudingen ("Denkavit")

Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie in Luxemburg uitspraak ("Denkavit") gedaan in een zaak die door een Nederlandse moedermaatschappij met twee Franse dochterondernemingen was aangespannen.

In de periode 1987-1989, (dus voor inwerkingtreding van de Moeder-Dochter Richtlijn in 1990), hield Frankrijk 5% Franse dividendbelasting in op dividenden die werden uitgekeerd door de Franse dochtermaatschappijen aan de Nederlandse moedermaatschappij. Dit was in overstemming met het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk zoals dat toentertijd luidde.

Fout, zegt het Europese Hof, dat mag niet. Het stond vast dat indien de Nederlandse moedermaatschappij in Frankrijk gevestigd zou zijn de Franse dividendbelasting niet verschuldigd zou zijn geweest. De vrijheid van vestiging beoogt elke, zelfs minieme (potentiële) discriminatie op grond van de plaats van de zetel van vennootschappen te verbieden, waaronder de hiervoor genoemde. Dividenden uitgekeerd aan vennootschappen in andere lidstaten mogen niet zwaarder worden belast dan dividenden die in het binnenland worden uitgekeerd in overigens vergelijkbare situaties. Een dergelijk verschil in fiscale behandeling van aan moedermaatschappijen uitgekeerde dividenden op grond van de plaats van hun zetel vormt een discriminerende beperking van het recht van vrije vestiging.

Ook de toepassing van een belastingverdrag doet hier volgens het Hof geen afbreuk aan, zelfs indien een belastingverdrag (zoals in dit geval het verdrag tussen Nederland en Frankrijk) voorziet in de mogelijkheid dat de dividendontvanger de bronbelasting verrekent met de in haar staat geheven vennootschapsbelasting (wat in het onderhavige geval overigens niet mogelijk was door toepassing van de deelnemingsvrijstelling).

Wetswijzigingen van de dividendbelasting per 1 januari 2007

Ook Nederland moet zich aan de jurisprudentie van het Hof conformeren en heeft daarom met ingang van 1 januari 2007 enkele bepalingen in de wet op de dividendbelasting aangepast:

  1. De wachttijd van een jaar voor de Europese dividendbelasting vrijstelling is vervallen. Deze gold niet in nationale verhoudingen en geldt dus nu ook niet meer in Europese verhoudingen.
  2. De eis van een minimaal bezitspercentage van 20% (volgens de Moeder- Dochter Richtlijn vanaf 1 januari 2007; 15%) is vervallen. Net als in binnenlandse verhoudingen is een 5% belang voldoende, in sommige gevallen kan zelfs een kleiner belang volstaan (zie ook hierna).
  3. Met ingang van 1 januari 2007 kunnen van belasting subjectief vrijgestelde lichamen op verzoek in aanmerking komen voor een teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting, mits ze ook voor deze teruggaaf in aanmerking zouden komen als ze in Nederland gevestigd zouden zijn geweest.
  4. Het tarief van de Nederlandse dividendbelasting is verlaagd van 25% naar 15%.

De "oneigenlijke deelneming" – toepassing deelnemingsvrijstelling voor belangen van minder dan 5%- is in technische zin afgeschaft per 1 januari 2007. Feitelijk blijft echter ook na 1 januari 2007 de mogelijkheid voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op belangen van minder dan 5% bestaan, zij het dan in de context van een aflopend belang (ex. het nieuwe artikel 13 vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting ) of een indirect 5% belang (de meetrekdeelneming ex artikel 13 vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting). Ook in deze situaties is in beginsel vanaf 1 januari 2007 de vrijstelling dividendbelasting van toepassing.

Overigens bevat de nieuwe Europese vrijstellingsregeling nu naast een specifieke, tevens een generale anti-misbruikregeling. De specifieke anti-misbruikregeling bestond al en ziet op de eis dat de genieter van het dividend ook de "uiteindelijke gerechtigde" moet zijn, waardoor ook een aantal typische "dividend-stripping" scenario’s worden gesanctioneerd. De generale anti-misbruikregeling is nieuw en ziet op de eis dat de vrijstelling dividendbelasting niet van toepassing is indien de ontvanger van het dividend op basis van "een voorschrift ter bestrijding van fraude en misbruik opgenomen in een door Nederland met de lidstaat van vestiging van de opbrengstgerechtigde gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, de opbrengstgerechtigde geen aanspraak zou kunnen maken op de in dat verdrag opgenomen verlaging van de belastingheffing op dividenden.". Als dus het belastingverdrag met het land van vestiging een anti-misbruikbepaling bevat op basis waarvan de ontvanger van het dividend niet gerechtigd zou zijn tot het lager verdragspercentage voor de dividendbelasting, dan is de Europese dividendbelastingvrijstelling ook niet van toepassing.

De uitbreiding van de teruggaafregeling is met name van belang voor in andere lidstaten gevestigde professionele beleggers (pensioenfondsen) en beleggingsfondsen.

Lopende procedures

In Nederland loopt overigens nog een met Denkavit vergelijkbare procedure over een Luxemburgse aandeelhouder met een zogenaamde "oneigenlijke deelneming" in een Nederlandse vennootschap. Ook in deze procedure is feitelijk buiten discussie dat geen Nederlandse dividendbelasting zou zijn verschuldigd indien de Luxemburgse aandeelhouder in Nederland zou zijn gevestigd.

Wij hebben over deze procedure al een nieuwsitem gepubliceerd op 17 oktober 2005. Hof Den Bosch besliste toen ook al dat Nederland in dergelijke gevallen geen dividendbelasting mag heffen vanwege strijdigheid met Europese wetgeving (zij het basis van "vrijheid van kapitaalverkeer" en niet "vrijheid van vestiging").

De Staatsecretaris is tegen deze uitspraak in Hoger Beroep gegaan en deze zaak is nu nog aanhangig bij de Hoge Raad en het Europese Hof. Na Denkavit mag verwacht worden dat de Hoge Raad hier korte metten mee zal maken en zal beslissen dat de vrijstelling van dividendbelasting ook geldt in het geval van een oneigenlijke (Nederlandse) deelneming van een buitenlandse aandeelhouder, oftewel bij bepaalde aandelenbelangen van minder dan 5%, omdat deze vrijstelling ook geldt voor Nederlandse aandeelhouders in een overigens vergelijkbare situatie.

De Europese Commissie heeft procedures gestart tegen onder andere België, Spanje, Italië, Portugal en Nederland omdat hun wetgeving nog steeds discriminatoire elementen bevat en niet voldoet aan de in Denkavit geformuleerde uitgangspunten.

Voor Nederland gaat het dan met name om de landen van de Europees Economische Ruimte (Noorwegen, IJsland en Liechtenstein); volgens de Europese Commissie moet de Nederlandse dividendbelastingvrijstelling (behalve voor dividenduitkeringen naar EU lidstaten) ook gelden voor Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Redelijkerwijs mag worden verwacht dat Nederland op korte termijn de toepassing van de dividendbelastingvrijstelling zal moeten verruimen tot in ieder geval kwalificerende in Noorwegen en IJsland gevestigde aandeelhouders. Wat betreft Liechtenstein moet in dit kader enig voorbehoud worden gemaakt aangezien er tussen Liechtenstein en Nederland geen uitwisseling van informatie plaatsvindt.

Vrijstelling en teruggaaf dividendbelasting in andere Europese landen

Denkavit geldt voor alle Europese lidstaten en de lidstaten van de Europees Economische Ruimte, waaronder IJsland, Noorwegen, Liechtenstein die geen lid zijn van de Europese Unie.

Nederlandse bedrijven dienen er voor te waken dat ze niet onnodig dividendbelasting betalen in het buitenland. Ook kan het zijn dat Nederlandse bedrijven een teruggaaf kunnen vorderen van in het verleden teveel betaalde dividendbelasting.

Wij hebben een uitstekend netwerk in de meeste Europese lidstaten en wij zijn u graag behulpzaam bij het bepalen van de reikwijdte van de vrijstelling dividendbelasting in een bepaald land. In voorkomende gevallen kunnen wij u uiteraard ook assisteren bij het verzorgen van een verzoek om teruggaaf of andere te nemen actie op het gebied van bovenstaande problematiek.

Vrijstelling en teruggaaf dividendbelasting in Nederland

Nederland zal vanaf 1 januari 2007 in veel meer gevallen dan voorheen een vrijstelling of teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting moeten verlenen. Iedere buitenlandse, in een Europese lidstaat, IJsland, Noorwegen of Liechtenstein gevestigde aandeelhouder van een Nederlandse vennootschap, die ook na 1 januari 2007 volgens de letter van de Nederlandse wet nog dividendbelasting zou zijn verschuldigd, doet er goed aan om uit te zoeken of hij wel Nederlandse dividendbelasting zou zijn verschuldigd indien hij in Nederland zou zijn gevestigd. Als dat niet zo is, dan is heffing dividendbelasting in beginsel strijdig met Europees recht. Hetzelfde kan opgemerkt worden over een mogelijk recht op teruggaaf van dividendbelasting.

Het spreekt voor zich, dat de budgettaire consequenties van deze uitspraken enorm kunnen zijn.

Wij verwachten dat de Nederlandse belastingdienst net als bij Bosal, verzoeken om vrijstelling of teruggaaf alleen gaat honoreren voorzover de belastingschuld nog niet definitief is komen vast te staan. Bij de inhouding dividendbelasting is dit in beginsel het geval na een verloop van de bezwaartermijn zes weken na inhouding, tenzij al tijdig bezwaar is gemaakt.

Het is alleen de vraag of de belastingdienst hiermee weg komt. De Nederlandse wetgeving was strijdig met Europees recht. Dat staat nu vast. Indien geen fiscale rechtsmiddelen tegen een onrechtmatige belastingheffing meer beschikbaar zijn, zou men wellicht via een civielrechtelijke procedure genoegdoening kunnen eisen; de met Europees recht strijdige belastingheffing als onrechtmatige overheidsdaad ? Een voor de hand liggend verweer van de Nederlandse overheid is dan natuurlijk dat de onrechtmatigheid niet kenbaar was, maar dit zou naar onze mening slechts beperkte gelding kunnen hebben omdat al in 2004 door een uitspraak van het EVA Hof (EVA-Hof, 23 november 2004, zaak E-1/04) duidelijk was (althans had moeten zijn) dat de Nederlandse vrijstelling van dividendbelasting in Europese verhoudingen in veel gevallen strijdig was met Europees recht.

In voorkomende gevallen zijn wij graag bereid om u bij een vrijstelling- of teruggaaf procedure te assisteren.

Voor vragen over dit onderwerp kunt U contact opnemen met

Ton Smit

Telefoon: 010-2010470

E-mail: ton.smit@taxci.nl

of Erik Jansen,

Telefoon: 010 – 2010475

E-mail: erik.jansen@taxci.nl